Robot tussen de aardbeien

30-04-2018

Het Europa dat ons vandaag hier bij elkaar brengt, ligt flink onder vuur bij een groot deel van de bevolking, in vele landen. Ik vertel daarmee niets nieuws. Europa lijkt soms op een grote machine waar wij met open mond naar staan te kijken. Een machine waarvan we niet goed begrijpen hoe ze precies werkt, maar wél zien dat ze op verschillende domeinen nog véél beter zou kunnen werken : grote internationale problemen kordater aanpakken, minder top-down besturen en meer luisteren naar wat er leeft aan de basis, wat minder technocratisch te werk gaan en vaker een sociaal gelaat tonen, ... Het is niet moeilijk om terechte kritiek te geven.

Herman Van Rompuy, gewezen voorzitter van Europese Raad, was onlangs in Wuustwezel te gast en beaamde dat ook. Al was hij het uiteraard niet volledig eens met die kritiek. Hij wees terecht ook op de vele verwezenlijkingen van Europa, op de lange weg die we reeds hebben afgelegd en de vorderingen die we nog steeds maken, daarbij onder meer verwijzend naar de goede resultaten van onze Eurocommissaris Marianne Thijssen in de strijd tegen sociale dumping. En het zal u niet verbazen, maar de oplossing voor veel problemen ligt volgens Herman Van Rompuy in nog méér Europa. Al is er dus nog werk aan de winkel.

Zelf krijg ik al gedeputeerde vaak te horen dat Europa er enkel is voor de happy few en grote multinationals; dat KMO’s en agrarische ondernemers, laat staan de man of de vrouw in de straat weinig hebben aan Europa. Dat wil ik tegenspreken.

Voor de provincie Antwerpen is Europa al decennia lang een heel belangrijke partner voor het realiseren van tientallen grote en kleine projecten op zeer diverse domeinen, ook in de land- en tuinbouwsector. Alleen nog maar in de huidige programmaperiode (van 2014 tot 2020) investeerde Europa 64 miljoen euro (!) in onze provincie. Dat is een gigantisch bedrag, en we zijn nog niet aan het einde.

Dat is een pluim die onze Dienst Europa op zijn hoed mag steken. Onze medewerkers leveren daar uitstekend werk door de juiste partners bij elkaar te brengen; door ondernemers, lokale besturen en allerlei organisaties naar die Europese subsidies toe te leiden; door hun aanvragen te begeleiden en hun dossiers op te volgen.

Waar die projecten matchen met onze eigen beleidsdomeinen en met onze eigen doelstellingen, treden wij als provincie geregeld op als co-financier. Zo krijgen projecten sneller hun financieringsplan rond, want die Europese programma`s financieren zelden de volledige projectkost. Voor veel projecten maakt die provinciale co-financiering ook echt het verschil tussen het wel of niet kunnen indienen van een aanvraag.

En die provinciale co-financiering loont ! In die mate dat elke euro die wij mee in een Europees project steken zich in een veelvoud terugverdient. Vorig jaar bijvoorbeeld droegen wij vanuit onze Dienst Landbouw- en Plattelandsbeleid, de Dienst Economie en Internationale Samenwerking én de Dienst Europa 526.000 euro bij aan Europese projecten van de proefcentra voor land- en tuinbouw in onze provincie. Dat leverde meer dan 1.740.000 euro aan Europese subsidies op. Dat is dus een serieuze hefboom.

Een degelijk project staat of valt met een goed evenwicht tussen de betrokken partners; of dat nu overheden zijn, ondernemers, onderzoeksinstellingen, belangenorganisaties, of wat dan ook. Wanneer zij beseffen dat ze sámen een hoger doel dienen en niet alleen voor hun eigen belang in een project stappen, dán zit het goed. Bovendien is zo’n samenwerking de beste garantie op een duurzaam project; in die zin dat het niet stilvalt nadat de projectperiode is afgelopen en de subsidies stilvallen, maar dat het dan wordt ingebed in de reguliere werking. Zulke partnerschappen vinden we terug in de initiatieven die we vandaag aan u voorstellen. Daarover kunnen we dus alleen maar tevreden zijn.

In het oog springen uiteraard de technologische innovaties, die heel belangrijk zijn voor de land- en tuinbouw in onze provincie. Het zijn grote spraakmakende projecten. Maar ik wil tot slot graag even onder de aandacht brengen dat Europa én de provincie daarnaast ook nog een heleboel kleinere initiatieven financieel ondersteunen, die dichter bij de gewone man of zeg maar de boer of boerin in de straat staan. Ik denk dan onder meer aan de vele soorten plattelandssubsidies, aan LEADER, enzovoort. Die initiatieven zijn ook zeer divers van aard. Ik hoef niet te ver terug in de tijd te gaan om voorbeelden te vinden als verkeersveiligheid met landbouwvoertuigen, het zoeken naar een andere baan voor landbouwvrouwen in bedrijven die het moeilijk hebben, degelijke huisvesting voor seizoenarbeiders in de groenten- en fruitteelt, de promotie van hoeve- en streekproducten,    erfbeplantingen, agrobiodiversiteit,  enzovoort.

 Als bijkomend voordeel hebben deze projecten dat ze zeer laagdrempelig zijn en dat ze veel mensen rechtstreeks bereiken. In twee opzichten zijn ze draagvlakverhogend: bij de brede bevolking ten opzichte van de agrarische sector en ín die sector zelf ten opzichte van Europa. Want allemaal ervaren ze dan dat Europa ook iets voor hén doet, in hun eigen gemeente, in hun eigen buurt, en ze komen er rechtstreeks mee in aanraking. Zo eindig ik dus waar ik begonnen was : bij het draagvlak voor Europa, een Europa waarvan het belang voor onze provincie én voor de agrarische sector niet onderschat mag worden. Want met Europa is het net als met de land- en tuinbouw en met zoveel andere dingen in het leven : onbekend maakt onbemind.

 

Social Media: